Veel atleten zijn bloeddonor en dat is natuurlijk een goede zaak. Veel (intensief) trainende langeafstandslopers zien daar echter van af omdat zij bang zijn dat ze daardoor (eerder) bloedarmoede zullen krijgen. In onderstaande tekst zal uitgelegd worden waarom bloedarmoede eerder bij langeafstandlopers ontstaat, wat daar de gevolgen van zijn en op welke wijze langeafstandslopers toch donor kunnen worden.
Als een (duur-)sporter bloedarmoede ontwikkelt kan dat leiden tot allerlei vervelende
klachten. Denk hierbij aan chronische vermoeidheid, 'pap in de benen', een verminderd
herstelvermogen na een zware training en een verhoogde kans op infecties. Het zal een
ieder duidelijk zijn dat uiteindelijk ook de sportprestatie negatief beïnvloed zal worden
door een bloedarmoede. Er wordt gesproken van bloedarmoede als de concentratie hemoglobine
(Hb) in de rode bloedcellen (erytrocyten) te laag is. Dat is het geval als het Hb bij
mannen onder de 8.7mmol/l en bij vrouwen onder de 7.5mmol/l ligt.
Bij duursporters wordt een bloedarmoede vaak veroorzaakt door een ijzertekort
(ijzergebreksanemie). Hierbij kunnen verschillende factoren meespelen:
Ook kan er bloedarmoede ontstaan door een vitaminetekort (B12 of foliumzuur) of de
aanwezigheid van chronische infectieziekten, maar deze oorzaken komen duidelijk minder
vaak voor dan bloedarmoede door ijzergebrek.
Het Hb-gehalte van een duursporter kan ook (te) laag zijn door een relatieve verdunning
van het bloed. Dit is een fysiologische aanpassing van het lichaam aan de duurinspanning,
want ?verdunt? bloed is minder stroperig en kan gemakkelijker rondgepompt worden door het
hart. Als er sprake is van verdunning, zonder dat er sprake is van een ijzer- of
vitaminetekort, heeft de (duur-)sporter daar geen klachten van. Een laag Hb-gehalte is
niet voldoende om de diagnose ijzergebreksanemie te stellen. Hiervoor dient dan eerst een
bepaling gedaan te worden om een indruk te krijgen op de ijzervoorraad. Dan kan met behulp
van de ferritinebepaling in het bloed. Bij sporters wijst een ferritinewaarde boven de 35
Ug/L op een adequate ijzervoorraad in het lichaam. Een aanzienlijk deel van de
duursporters heeft ijzertabletten nodig om deze ijzervoorraad op peil te houden.
Als iemand bloeddonor is, wordt als regel een ? liter bloed per keer afgenomen. Daarbij is het van belang om te weten dat een volwassen persoon van gemiddeld postuur ongeveer 5 liter bloed heeft. Ook bij sporters waarbij de ijzervoorraad op peil is, duurt het altijd één of meerdere weken voordat dit gedoneerde bloed weer is aangemaakt. Voordat het zover is gaat dat gepaard met een verminderd herstel- en prestatievermogen. De training zal hier dus tijdelijk op aangepast moeten worden, waarbij de sporter dus extra zal moeten letten op hoe hij / zij zich voelt tijdens en (daags) na de training. Het is daarom niet handig om bloed te doneren vlak voor een belangrijke wedstrijd of in een zware trainingsperiode. Hoelang de herstelperiode na een bloeddonatie is, is per persoon verschillend en hangt bijvoorbeeld af van de ijzervoorraad die iemand heeft. Gezien het feit dat prestatief trainende duursporters sowieso al vaker een ijzergebreksanemie ontwikkelen, kan het voor velen van hen dus echt een probleem worden als zij naast hun intensieve training ook nog eens twee keer per jaar een ? liter bloed geven. Het is begrijpelijk dat veel (prestatief) ingestelde langeafstandslopers van bloeddonatie afzien.
Gelukkig is er ook een andere vorm van donorschap, waarbij er geen verhoogde kans is op het ontstaan van bloedarmoede. En dat is de donatie van plasma, waar ook een grote behoefte aan is. Bij deze vorm van donatie wordt door middel van plasmaferese alleen het plasma (het ?vochtgedeelte van het bloed?) afgenomen, waarna de bloedcellen weer teruggebracht worden in de bloedbaan van de donor. Het aldus verkregen plasma kan in zijn geheel aan patiënten worden toegediend of er kunnen eiwitten uit worden gehaald die voor patiënten van belang kunnen zijn:
Plasmadonor zijn is minder belastend voor het lichaam dan gewone bloedafname, omdat de bloedcellen (en dus ook het ijzer) aan de donor worden teruggegeven. De donor raakt alleen ruim een ? liter plasma kwijt. Het afgenomen vocht is met drinken binnen enkele uren aangevuld terwijl de afgestane eiwitten binnen een dag weer zijn aangemaakt. Daarom is het verantwoord om na een dag al weer hard te trainen. In principe kunnen sporters dus zonder nadelen voor hun trainingsopbouw of wedstrijd plasmadonor worden.
Veel langeafstandslopers worden geen bloeddonor, omdat zij hun trainings- of wedstrijdprogramma in de weken na een donatie niet aan willen passen, of omdat ze bang zijn dat ze een ijzergebreksanemie zullen ontwikkelen. Deze angst is niet geheel ongegrond. Een prestatiegerichte sporter die overweegt donor te worden, zou niet alleen de waarde van zijn Hb moeten weten, maar ook die van zijn ijzervoorraad (door middel van een ferritinebepaling). Pas dan kan deze (duur-)sporter voor zichzelf een verantwoorde keuze maken, waarbij zeker ook de mogelijkheid om in plaats van bloeddonor plasmadonor te worden kan worden betrokken. Deze vorm van donorschap heeft het voordeel dat er geen verhoogd risico is op het ontwikkelen van een bloedarmoede, maar heeft als relatief nadeel dat het plasmadonor zijn als regel meer tijd van de sporter kost.