Steeds meer oudere mensen blijven of gaan op latere leeftijd aan sport doen. Sporten geeft plezier en ontspanning. Door de lichamelijke beweging en de gezondere leefstijl leidt dit tevens tot een betere gezondheid en een grotere fitheid. Uit de statistieken blijkt dat het percentage sportende ouderen groter is dat van jongeren. In de leeftijdscategorie van 35-54 jaar blijkt meer dan de helft aan sport te doen! Het is altijd moeilijk om te zeggen wanneer iemand tot de 'ouderen' behoort. In de atletiek zijn er aparte leeftijdscategorieën voor vrouwen die ouder zijn dan 35 jaar en voor mannen die ouder zijn dan 40 jaar. Dat klopt wel aardig met de afname van het lichamelijk prestatievermogen dat zo ongeveer na het 30e levensjaar begint.
Het ouder worden gebeurt bij iedereen weer op een andere manier en in een ander tempo.
Duidelijk is wel dat de functie van hart en longen langzaam zullen afnemen, maar ook dat
deze functies door training nog lang op een hoog niveau kunnen blijven. Sporten kan dus in
zekere zin de veroudering tegen gaan.
Bij het ouder worden neemt de maximale hartfrequentie en het zuurstofopnamevermogen af.
Daarmee vermindert geleidelijk aan het duuruithoudingsvermogen. Door een goede training
kan deze duurconditie echter heel lang goed op peil gehouden worden. Een goed getrainde
oudere sporter kan vaak beter presteren dan een minder goed getrainde jongere sporter!
Aan het hartvaatstelsel kunnen veranderingen optreden die lichamelijke inspanning kunnen
belemmeren. Als de kransslagaders (gedeeltelijk) dichtslibben, krijgt de hartspier zelf
minder bloed. Hierdoor kan een drukkende pijn op de borst ontstaan die kan uitstralen naar
de kaken of de linker schouder. In het ernstigste geval kan men een hartaanval krijgen.
Een gedeelte van de hartspier heeft dan tijdelijk zo weinig bloed gekregen, dat deze
onherstelbaar beschadigd is.
Het komt voor dat mensen vlak voor of tijdens de sportbeoefening overlijden. Dat zijn dan
bijna altijd mensen die al leden aan hart- of vaatziekten en als gevolg daarvan een
hartaanval hebben gekregen. Ze zouden naar alle waarschijnlijkheid op een ander moment
toch een hartaanval hebben gekregen, ook als ze niet aan sport hadden gedaan. Het aantal
mensen dat in de slaap overlijdt, is vele malen groter dan het aantal mensen dat bij sport
overlijdt. Mensen die sporten hebben door hun gezondere levenswijze juist minder kans op
het ontwikkelen van dichtgeslibde vaten en hoge bloeddruk. Minder kans betekent helaas
geen garantie dat de kransslagadervaten niet zullen dichtslibben en er geen hartaanval zal
ontstaan.
Door de veroudering gaat de kwaliteit van het kraakbeen achteruit. Kleine
beschadigingen herstellen langzamer en minder goed, waardoor de kans op gewrichtsslijtage
toeneemt. Veel mensen hebben op de röntgenfoto tekenen van slijtage in een gewricht.
Gelukkig heeft het merendeel van deze mensen geen klachten van het gewricht. Als er wel
klachten optreden, kan zich dat uiten in:
Er zijn geen aanwijzingen dat slijtage van normale gewrichten toeneemt door veelvuldig gebruik tijdens sportbeoefening. Als er eenmaal slijtage is opgetreden, kan met een zorgvuldig opgebouwde en afwisselende training, vaak nog een goede belastbaarheid van het gewricht verkregen worden. Zeker in het geval van slijtage in de gewrichten is het zo dat 'rust roest'. Natuurlijk is het minstens zo belangrijk om niet op een te harde ondergrond en met goed schokabsorberend schoeisel te sporten.
Zowel bij mannen als bij vrouwen neemt de botdichtheid en daardoor de sterkte van de botten boven het 30ste levensjaar af. Bij vrouwen treedt deze afname van de botdichtheid sneller op als de menopauze ingetreden is. Het gevaar van deze afname in de botdichtheid is dat er eerder botbreuken ontstaan. Een botbreuk kan door een val ontstaan, maar ook door chronische overbelasting in de training. Met name de vermoeidheidsbreukjes van de voet zijn berucht. Om deze afname in de botdichtheid zoveel mogelijk te voorkomen is het belangrijk dat er met de voeding voldoende Calcium, bijvoorbeeld uit melkproducten, opgenomen wordt. Ook vitamine D speelt een belangrijke rol bij de botstofwisseling. Door sportbeoefening kan de botontkalking tegen gegaan worden. Daarnaast is de spierkracht en de coördinatie van sporters beter, zodat zij minder snel vallen.
Bij het ouder worden gaat de totale spiermassa langzaam achteruit. Kracht is nog heel lang goed op peil te houden. Snelheid, explosiviteit en lenigheid gaan echter sneller verloren, evenals de belastbaarheid van pezen en spieren. Een acute blessure zoals een spierscheur is zo opgelopen, maar zal steeds langzamer herstellen. Ook een chronische blessure, zoals een achillespeesirritatie, zal er steeds langer over doen om te genezen. Het is duidelijk dat er voor iedere training een goede warming-up nodig is. De training moet geleidelijk opgebouwd worden. Daarnaast is het van groot belang dat het aantal trainingen door de weken heen niet te veel verschilt. Om de dag hard lopen blijkt In de praktijk vaak het beste. De pezen en spieren hebben dan een dag om weer te herstellen.
Bovengenoemde verouderingsprocessen op zich leiden tot een verhoogde blessurekans. Toch
blijkt dit best mee te vallen, omdat de oudere sporter in het algemeen beter naar
zijn/haar lichaam luistert en minder risico neemt. Vaak neemt het aantal uren dat aan
sport gedaan wordt geleidelijk aan af en wordt de atletiekbeoefening wat vaker afgewisseld
met andere sporten zoals fietsen en zwemmen.
Voor de (weer) beginnende sporter is een sportmedisch onderzoek ('sportkeuring') bijna een
must, terwijl dit voor de oudere sporter aan te bevelen is met een regelmaat van eens in
de 1 tot 2 jaar. Als de club geen eigen arts heeft waar dit onderzoek uitgevoerd kan
worden, kan dit ook bij een sportarts van een Sportmedische Instelling. Deze artsen kunnen
ook advies geven hoe een (chronische) blessure het beste behandeld kan worden, wanneer de
blessure volledig hersteld is en hoe de training het beste opgebouwd kan worden om het
ontstaan van een (recidief of een nieuwe) blessure te voorkomen.
Steeds meer oudere mensen blijven aan sport doen of gaan dat weer doen. Hiermee verkrijgen ze zowel plezier als een betere gezondheid. Door training kan bijvoorbeeld de duurconditie lang op peil gehouden worden en neemt de kans op een hartaanval af. De gewrichten blijven goed in beweging en de botdichtheid blijft beter op peil. Hoewel de pezen en spieren langzaam in kwaliteit achteruitgaan, blijkt de kans op blessures in de praktijk niet of nauwelijks toe te nemen, omdat de oudere sporter in het algemeen beter naar zijn of haar lichaam luistert. Voor de (weer) beginnende sporter wordt een sportmedisch onderzoek sterk aanbevolen.